Epidermis
De epidermis bij dieren is de buitenste huidlaag of opperhuid. Het woord werd in de 17e eeuw afgeleid van het Griekse ἐπιδερμίς epidermís (opperhuid) van ἐπί epí (op) en δέρμα derma (huid).

Gewervelde dieren
[bewerken | brontekst bewerken]Bij de gewervelde dieren zoals de mens, is de epidermis de buitenste laag van de huid die samen met het onderliggende dermis beschermt tegen uitdroging en mechanische stress en dient als eerste barrière tegen ziekteverwekkers.[1]
De epidermis bestaat uit vier soorten epitheelcellen: keratinocyten, en in mindere mate melanocyten (pigmentcellen), langerhanscellen en merkelcellen. De huid-adnexen haar, talgklieren, zweetklieren en nagels zijn afgeleiden van de opperhuid (epidermisderivaten). De epidermis bestaat uit vijf lagen van verschillende huidcellen, van buiten naar binnen:
- het stratum corneum of de hoornlaag is de bovenste laag met 20 tot 30 cellagen die bestaan uit keratine en hoornachtige schubben. De lagen zijn gevormd door dode keratinocyten, bekend als plaveiselcellen. Deze laag varieert het meest in dikte, vooral bij eelthuid. Binnen deze laag scheiden de dode keratinocyten defensinen af die deel uitmaken van de eerste immuunafweer van het lichaam.
- stratum lucidum of heldere laag bestaat uit 2 tot 3 cellagen, aanwezig in de dikkere huid in de handpalmen en voetzolen. De laag is een dunne, heldere laag bestaande uit eleidine, een transformatieproduct van keratohyaline
- stratum granulosum of korrellaag bestaat uit cellen waarvan het cytoplasma korrels bevat. Dit zijn ruitvormige cellen met korrels van keratohyaline en lamellaire korrels. Keratohyalinekorrels bevatten pro-filaggrinen die uiteindelijk aggregeren, verknopen en bundels filaggrine vormen. De lamellaire korrels bevatten glycolipiden die naar het oppervlak van de cellen worden uitgescheiden en als lijm functioneren, waardoor de cellen aan elkaar blijven kleven. Celkernen zijn vaak afwezig. Dit is de eerste levende cellaag in de epidermis die van buitenaf te vinden is.
- stratum spinosum of stekelcellenlaag heeft 8 tot 10 cellagen die onregelmatige, veelvlakkige cellen met cytoplasmatische uitsteeksels bevatten, ook wel 'stekels' genoemd, die zich naar buiten uitstrekken en via desmosomen contact maken met naburige cellen. In deze laag bevinden zich dendritische cellen. Er bevinden zich ook melanosomen die gevuld zijn met melanine. Melanosomen ontstaan niet in keratinocyten, maar in melanocyten die zich tussen de keratinocyten in het stratum spinosum bevinden. Deze stekelcellenlaag bevat ook langerhanscellen.
- stratum basale, stratum germinativum of basale cellaag is de diepste laag van de epidermis en is samengesteld uit hoekige of cilindrische unipotente stamcellen, gescheiden van de onderliggende dermis door een basaal membraan. Na deling van deze cellen, ontstaat er een unipotente stamcel en een cel die voorbestemd is om te migreren naar het stratum spinosum en daar te differentiëren. De laag bestaat uit een enkele rij cellen die zich parallel aan het oppervlak vermenigvuldigen. Deze cellen zijn met elkaar verbonden door desmosomen en met het basaal membraan door hemidesmosomen. Het cytoplasma bevat melanine dat afkomstig is van de omringende melanocyten. De basale cellaag wordt ook wel de kiemlaag of moederlaag genoemd. Van hieruit worden door celdeling de afgestorven opperhuidcellen vervangen.[2]
Tussen de heldere laag en de korrellaag bevindt zich de Reinse barrière, een membraan dat de vochtigheidsgraad van de huid regelt.
Ongewervelde dieren
[bewerken | brontekst bewerken]Bij de ongewervelde dieren bestaat de epidermis uit één enkele cellaag van epitheelcellen.[3]
- ↑ (en) Sotiropoulou, P. A., Blanpain, C. (1 juli 2012). Development and Homeostasis of the Skin Epidermis. Cold Spring Harbor Perspectives in Biology 4 (7): a008383–a008383. ISSN:1943-0264. PMID: 22751151. PMC: PMC3385954. DOI:10.1101/cshperspect.a008383.
- ↑ Yousef, Hani (2024). Anatomy, Skin (Integument), Epidermis. StatPearls Publishing, Treasure Island (FL).
- ↑ Rasquin, V. (2012). Ongewervelden - allemaal beestjes...zonder ruggengraat, p. 45-159.
