conocer
Uiterlijk
- co·no·cer
conocer
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| conocer |
conocía |
conocido |
| volledig | ||
- onovergankelijk (~ de) verstand hebben van, een kenner zijn van
- (~ de/en) kennis nemen van
- overgankelijk kennen, weten, leren kennen
- herkennen, onderscheiden
- [3] saber
- [4] distinguir
