Maurusschrijn
| Maurusschrijn | ||||
|---|---|---|---|---|
Het schrijn gefotografeerd in 2010, tijdens een tijdelijke expositie in de Burcht van Praag | ||||
| Kunstenaar | onbekend (Hugo van Oignies?) | |||
| Jaar | ca. 1225-1230 | |||
| Ontstaanslocatie | Maasland | |||
| Huidige locatie | kasteel Bečov nad Teplou, Bečov nad Teplou | |||
| Stroming | romaanse kunst, Maaslandse kunst | |||
| Materiaal | eikenhouten kist bekleed met verguld koper en zilver, email, bruinvernis, edelstenen | |||
| Lengte | ca. 142 cm | |||
| Breedte | ca. 42 cm | |||
| Hoogte | 70 cm | |||
| ||||
Het Maurusschrijn of schrijn van Sint-Maurus (Tsjechisch: Relikviář svatého Maura) is een dertiende-eeuws reliekschrijn waarin de stoffelijke resten van verschillende heiligen worden bewaard, waaronder die van de martelaar Maurus van Reims. Het schrijn kent een zeer bewogen geschiedenis. Het werd omstreeks 1230 voltooid in een Maaslands atelier en bevond zich daarna eeuwenlang in de abdij van Florennes in de Belgische provincie Namen. Sinds 1888 bevindt het zich in het kasteel Bečov in Bečov nad Teplou in de regio Karlovy Vary in het westen van Tsjechië, waar het in de naoorlogse periode enkele tientallen jaren in de ondergrond van een kapel was verborgen. Het Maurusschrijn geldt als een hoogtepunt van Maaslandse edelsmeedkunst. In 1995 werd het aangewezen als Tsjechisch nationaal cultureel erfgoed.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Het Maurusschrijn bevat volgens de overlevering een reliek van Johannes de Doper, evenals relieken van de heiligen Maurus, Timotheüs en Apollinaris van Ravenna. De laatste drie waren christelijke martelaren die volgens de legende in de 1e eeuw na Chr. in Reims werden onthoofd in opdracht van de Romeinse prefect Lampadius. Hun stoffelijke resten werden in de kathedraal van Reims bewaard in een reliekschrijn, dat in de elfde eeuw in bezit kwam van Gerard van Florennes (ca. 975-1051), kanunnik van het domkapittel in Reims, later bisschop van Kamerijk. Hij geldt als de stichter van de abdij van Florennes en gaf opdracht tot de bouw van de abdijkerk, gewijd aan Johannes de Doper en Maurus van Reims. Hier vonden de relieken van genoemde heiligen onderdak.
Tussen 1225 en 1230 gaf de familie Rumigny, de familie van de abdijstichter, opdracht tot de bouw van het huidige vergulde reliekschrijn. Over de maker is niets met zekerheid bekend, hoewel Hugo van Oignies (ca. 1187-ca. 1238) uit het nabije Walcourt zeker in aanmerking komt. De martelaar Maurus, wiens skelet skelet vrijwel compleet bewaard was gebleven, werd prominent afgebeeld op een van de gevelstukken, net als Christus, terwijl van de andere heiligen, waarvan in het schrijn slechts botfragmenten aanwezig zijn, alleen Johannes de Doper en Timotheüs afgebeeld zijn. Dit schrijn, een meesterwerk van Maaslandse edelsmeedkunst, vormde eeuwenlang het pronkstuk in de kerkschat van de abdij, samen met een Maaslands triptiek, dat zich tegenwoordig in het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel bevindt.
Na de Franse Revolutie en de daarop volgende annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door de Eerste Franse Republiek, werd de abdij opgeheven, werden de meeste gebouwen verwoest en raakte de kerkschat verspreid. Het Maurusschrijn kwam in de parochiekerk van Sint-Gangolf in Florennes terecht. Daar stond het jarenlang in een hoek van de sacristie. In 1838 werd het voor 2500 francs aangekocht door Alfred de Beaufort-Spontin (1816-1888), eigenaar van het kasteel van Florennes (château de Beaufort). Volgens het kerkbestuur was de verkoop voorwaardelijk: het schrijn mocht het grondgebied van Florennes nooit verlaten. De Beaufort gaf het een plaats in de kapel van het kasteel en liet het tussen 1847 en 1851 op eigen kosten restaureren. In 1851 werd de transactie van 1838 voor het eerst aangevochten voor de rechter. De gouverneur van de provincie Namen, Victor Pirson, verklaarde de verkoop onwettig en eiste dat het schrijn aan de kerk werd teruggegeven voor de oorspronkelijke aankoopprijs. De zaak werd in der minne geschikt. In 1885 werd het schrijn tentoongesteld op een kunstnijverheidstentoonstelling in Brussel.
Na de dood van Alfred de Beaufort in 1888 erfde zijn zoon Friedrich (1843-1916) het schrijn. Nog in hetzelfde jaar verhuisde het schrijn naar kasteel Bečov in West-Bohemen, dat sinds 1813 in bezit was van de familie De Beaufort-Spontin. Er volgde een nieuwe rechtszaak, waarbij de gemeente Florennes en het kerkbestuur de verhuizing van het schrijn naar het buitenland aanvochten. Het schrijn, inclusief de daarin bewaarde relikwieën, werd als onvervreemdbaar Belgisch cultureel erfgoed gezien. Het geschil eindigde in 1900 met opnieuw een schikking buiten de rechtbank, waarbij de familie Beaufort de kerk nog eens 20.000 frank betaalden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten leden van de familie Beaufort-Spontin samen met het naziregime. Tegen het einde van de oorlog in 1945 werd duidelijk dat de familie het kasteel Bečov zou verliezen en het Maurusschrijn niet zou kunnen meenemen op de vlucht. Om die reden verborgen Heinrich Beaufort en zijn zoon Friedrich het schrijn, samen met 103 flessen Franse cognac en wijn, onder de vloer van de kasteelkapel. Het kasteel werd na de oorlog inderdaad genationaliseerd. Heinrich Beaufort ondernam geen pogingen om zijn bezit terug te krijgen en stierf in 1966 in Oostenrijk. Zijn zoon Friedrich verzocht Tsjechoslowakije tevergeefs om de roerende goederen van de familie terug te geven, die onder de zogenaamde Beneš-decreten waren geconfisqueerd. Zijn zoon Christian, directeur van de wapencollectie van het Museum für angewandte Kunst in Wenen, ondernam opnieuw pogingen om het schrijn terug te krijgen. Samen met zijn tante Elisabeth en haar man Max von Croÿ bezocht hij in 1982 het vervallen en vrijwel ontoegankelijke kasteel van Bečov om te controleren of het schrijn zich nog op zijn plaats bevond.
Pas in 1984 werd het teruggevonden. In dat jaar deed de door de familie Beaufort-Spontin ingehuurde Amerikaanse zakenman en schatzoeker Danny Douglas (* 1939) een bod van 250.000 dollar aan het Tsjechoslowaakse consulaat in Wenen voor de export van een niet nader gespecificeerd kunstwerk. Tsjechische rechercheurs namen deel aan de daaropvolgende onderhandelingen en probeerden de aard en locatie van het mysterieuze object te achterhalen. Tijdens de onderhandelingen werd duidelijk dat het ging om een metalen object uit de dertiende eeuw dat geen verband hield met de Tsjechische geschiedenis en dat eigendom zou zijn van een adellijke familie met bezittingen in Bohemen, Duitsland en Frankrijk. Het geheimzinnige voorwerp zou begraven liggen op ongeveer honderd kilometer afstand van Neurenberg. Daarmee was het voor de Tsjechen duidelijk dat het om een locatie in West-Bohemen moest gaan. Op 4 november 1985 voerden ze een grondig onderzoek uit in kasteel Bečov en omliggende terreinen. Een dag later ontdekten ze het schrijn onder de vloer van de gotische kasteelkapel. Vervolgens liet het Praagse Museum voor Toegepaste Kunst het schrijn door deskundigen onderzoeken, die concludeerden dat het om nationaal cultureel erfgoed ging dat niet geëxporteerd mocht worden.
Hoewel het gevonden schrijn in zeer slechte staat verkeerde en dringend restauratie behoefde, was een grondige en professionele restauratie pas megelijk na de politieke omwenteling van 1989 ("Fluwelen Revolutie"). Het Instituut voor Monumentenzorg in Pilsen was verantwoordelijk voor de restauratie, die in 1991 van start ging onder toezicht van twee expertisecommissies, met medewerking van deskundigen uit Aken en Keulen. Omdat er nieuwe restauratiemethoden ontwikkeld moesten worden, duurde de restauratie elf jaar. Bij de restauratie werd de oorspronkelijke, sterk aangetaste eikenhouten kern vervangen door een walnoothouten kern.[1] In 2000 werd het nog niet geheel gerestaureerde Maurusschrijn tentoongesteld in de Burcht van Praag. Sinds 2002 bevindt het schrijn zich weer in kasteel Bečov, waar het te bezichtigen is in de Blauwe Eetzaal. In 2010-2011 en 2014-2015 was het opnieuw te zien in de Praagse burcht. Vanaf 2022 is het te zien in een nieuwe tentoonstellingsruimte in de gerenoveerde Pluhovské-huizen op het terrein van kasteel Bečov. Daar worden ook de oorspronkelijke eikenhouten kist, de oude wasopvullingen van de reliëfs en diverse in het schrijn aangetroffen artefacten tentoongesteld.[2]
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]Het schrijn heeft de vorm van een langgerekt huis of eenbeukige kerk, de traditionele vorm van schrijnen uit de late twaalfde en vroege dertiende eeuw. De kist is 140 cm lang, 42 cm breed en 65 cm hoog. De notenhouten kern is geheel bedekt met verguld koper met verguld zilveren reliëfs, filigraan, emaille, bruinvernis en een groot aantal edelstenen, waaronder enkele antieke gemmen uit de eerste of tweede eeuw na Chr. en een zogenaamde paddesteen, die pas in 2021 tijdens een reiniging werd ontdekt. Kammen van verguld brons met sierknoppen van bergkristal sieren de daknok en de beide gevelstukken.
Het schrijn bevat veertien bijna vrijstaande reliëfbeelden van verguld zilver, twee aan de korte zijden, twaalf aan de lange zijden, en twaalf grote dakreliëfs van verguld koper. De twee puntgevels zijn versierd met beelden in hoogreliëf van ongeveer 25 cm hoog, aan de voorzijde Christus en aan de achterzijde Maurus, beiden onder een rijk versierde drielobboog steunend op dubbele zuilen. Christus is afgebeeld als tronende wereldrechter (Majestas Domini) met opgeheven rechterhand en een boek in zijn linkerhand. De heilige Maurus houdt in zijn rechterhand een zwaard, mogelijk zijn moordwapen, waar men wellicht eerder de martelaarspalmtak zou verwachten. Met zijn andere hand toont hij de eerste kathedraal van Reims, die hij gesticht zou hebben.
Aan elk van de lange zijden bevinden zich zes apostelen, afgebeeld in rondboognissen, gescheiden door zuilen met kapitelen. Met name de zwikken tussen de rondbogen zijn zeer rijk versierd met afwisselend emailles met reliëfmedaillons, en filigraanwerk met edelstenen. De zes dakmedaillons aan elke zijde beelden scènes uit het leven van de heiligen Johannes en Timoteüs uit.
Qua vormgeving en decoratie vertoont het schrijn veel overeenkomsten met het Karelsschrijn in de Dom van Aken en het Driekoningenschrijn in de Dom van Keulen.
- Detailfoto's Maurusschrijn
- Christuszijde
- Mauruszijde
- Detail Mauruszijde
- Rechterzijde
- Idem, detail
- Idem, detail dakreliëf
- Linkerzijde
Inhoud
[bewerken | brontekst bewerken]Het schrijn bevat de vermeende relieken van Johannes de Doper en de heilige martelaren Maurus, Timoteüs en Apollinaris. Een vingergewricht zou van Johannes de Doper afkomstig zijn, een schedel van Timoteüs. Het op de schedel na complete geraamte wordt aan Maurus toegeschreven. Het in de jaren 1990 wetenschappelijk onderzochte skeletmateriaal bleek echter zeer aangetast, gefragmenteerd en divers in herkomst, waardoor een eenduidige analyse niet mogelijk was. Wel kon worden vastgesteld dat enkele botresten van vrouwen waren en dat een melktand van een kind afkomstig was. Vermoedelijk zijn de botten pas na eeuwen uit het vermeende massagraf van de martelaren verwijderd − Maurus zou immers volgens de legende samen met tientallen anderen ter dood gebracht zijn − waardoor beenderen niet meer eenduidig aan een bepaalde persoon konden worden toegeschreven.[3]
De beenderen waren ooit gewikkeld in kostbare stoffen, die echter door het jarenlange verblijf in de ondergrond van de kapel waren aangetast door bacteriën en schimmels. Ze werden in 1995-1997 gerestaureerd door Jarmila Sikytová, geadviseerd door Leonie von Wilckens. Mogelijk zijn sommige textielfragmenten afkomstig van kledingstukken van de heiligen, die als relikwie bewaard werden. Een van de oudste textielfragmenten is Egyptisch en dateert vermoedelijk uit de achtste eeuw. De grootste textielfragmenten, een stuk canvas met een blauwe streep en een zijden stof met groene vissen, bedekten de binnenwanden van het schrijn.[4] Naast beenderen en textiel werden in het schrijn ook fragmenten van leer aangetroffen, gemaakt van paarden-, ezels- of muilezelhuiden. Twee ervan zijn duidelijk resten van schoeisel, waarvan één met een textielrand. Een stuk ongelooid, perkamentachtig leer maakte deel uit van de binnenbekleding van het schrijn. De leerresten werden in 1995 geanalyseerd en geconserveerd door een team van Tsjechische experts.[5]
Verder bevat(te) het schrijn een cedula, een echtheidsverklaring uit 1483, in de vorm van een loden plaatje van 13 × 6,5 cm met een Latijnse tekst: CORPVS S[AN]C[TI] · MAVRI PRESBIT[ERI] · ET PRECIOSI MART[IRIS] · CV[M] CAPITE ALTERI · VS MARTIRIS ("lichaam van de heilige Maurus, priester en kostbaar martelaar, met het hoofd van een andere martelaar"). Op de andere kant van het plaatje staat, eveneens in Latijn: “In 1483 werd een inspectie en onderzoek van deze kist uitgevoerd”.[6]
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]Externe link
[bewerken | brontekst bewerken]- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel St.-Maurus-Schrein op de Duitstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Relikviář svatého Maura op de Tsjechischtalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- ↑ Bij de restauratie werden een groot aantal papierresten aangetroffen van een eerdere restauratie, waarschijnlijk uit de 19e eeuw. Stukken papier werden opgevouwen tot 'kussentjes', waarmee de vele edelstenen werden ondersteund, zodat deze boven het filigraanwerk uitstaken. Er werden stukjes gebruikt uit twee verschillende Nederlandstalige boeken. Tijdens de restauratie werd het papier vervangen door lindenhout. Het papier werd geconserveerd en bleef bewaard voor onderzoeksdoeleinden. Zie (cs) 'Papír' op svatymaur.cz, geraadpleegd 19 februari 2026.
- ↑ Zie foto kist en foto wasfiguren op Wikimedia Commons.
- ↑ (cs) 'Kosti' op svatymaur.cz, geraadpleegd 19 februari 2026.
- ↑ (cs) 'Textil' op svatymaur.cz, geraadpleegd 19 februari 2026.
- ↑ (cs) 'Usně' op svatymaur.cz, geraadpleegd 19 februari 2026.
- ↑ (cs) 'Autentika' op svatymaur.cz, geraadpleegd 19 februari 2026.
